Centraal Europa in 7 dagen

[Afbeeldingen nog invoegen, red.]

Zondag 24 juni 2012 ben ik vertrokken richting Ljubljana om er 3 nachten van een hotelcheque te genieten. Na de alternatieven te hebben overwogen (vliegtuig, trein) heb ik toch maar een auto geregeld om er te geraken, want onderweg is er natuurlijk genoeg te zien.

Zondag 24 juni: Culemborg – Viehhofen (A), 977 km

Vertrek van huis net na 10h00 om Duitsland te doorkruisen en in het Oostenrijkse Viehhofen te geraken. Dat was op aanraden van mijn vader die er ’s winters weleens verbleef en erg te spreken was over de prijs/kwaliteit verhouding. We kregen inderdaad een uitstekende kamer met ontbijt voor een scherpe prijs (€38,50 per person per nacht). In Viehhofen beklommen we de Sausteige, een top van 1912 meter, waarvan reeds verslag is gedaan.

Dinsdag 26 juni: Viehhofen – Ljubljana, 294 km

Vanuit Viehhofen is het een logische route om via de Großglockner Hochalpenstrasse verder zuidwaarts te trekken. Uiteindelijk willen we via de Loibl-pas de Sloveense grens over. Wat ik toen nog niet wist is dat de oude pas al in 1967 is afgesloten voor auto’s, terwijl hij er op de kaart zo goed uitzag. We moeten dus het laatste stukje voor de grens door de Loibltunnel, en daarna weer de berg af. Het is een schitterende pas met helaas weinig gelegenheid tot stoppen en fotograferen, dus ik kan er geen plaatjes van laten zien. Ga er eens heen, zou ik zeggen. Het gebied is prachtig.

Op de Hochalpenstraße. Het dak van Europa.

Die ‘piramide’ links is de Großglockner: met 3798 meter de “second most prominent mountain in the Alps”.

Het bochtenwerk maakt de pas, zoals zoveel passen, erg populair bij motorrijders. Onderweg kom je ook talloze tentjes tegen die zich exclusief aan het tweewielige clientèle wijden. Ook fietsers wagen zich aan de klim, in een laag verzet, om vervolgens lekker hard naar beneden te rollen.

Foto genomen vanaf de Edelweißspitze (2571 m.). Eronder is nog een souvenirwinkeltje waar ik het niet kon laten om een hoed met zonnebril te kopen.

Soms komt er nog eens iets moois omhoog, zoals deze Morgan.

Dit huisje is gewijd aan de gevallenen bij de aanleg en het onderhoud van de weg. Op 25 mei 1935 ontvielen er maar liefst 5 tegelijk, is binnen te lezen.

De bochtige laatste loodjes.

Hiermee poetsen ze de weg schoon, denk ik.

Fietsers heuvel af. Let niet op het commentaar.  

Eenmaal aan het eind van de pas rijden we nog een stuk over de secundaire weg. In Obervellach koop ik een 10-dagen vignet voor €8,- waarmee ik de reis naar Ljubljana en ook een deel van de terugreis kan afleggen. De Karawankentunnel blijkt de 26e en 27 juni afgesloten. Deze tunnel is de soepelste weg naar Slovenië, maar ik had me al voorgenomen om op dit relatief korte stukje niet van gemak te bedienen. Ik zou de Loiblpas nemen. Een colonne stomme Duitsers die er vanuit gaan dat ik ze niet begrijp zijn de weg kwijt en weten niet meer hoe ze nu in Slovenië moeten komen. Ik weet de weg, maar ze kunnen erin stikken als ze me openlijk dienen te schofferen.

Kort voor de grens koop ik een vignet voor Slovenië, want dat blijkt ook nodig. Kost maar liefst €15,- voor maar 7 dagen. In Slovenië zijn niet veel snelwegen, maar de wegen die er liggen zijn mooi en goed. Zo nu en dan passeer je een controlepunt waar de snelheid er even uit moet en je door betonnen poortjes rijdt. Je hoeft niet stil te gaan staan, camera’s registreren je. Ik vraag me af of ze ook het vignet herkennen, want 1 keer stond er een kluitje mensen bij busjes van de controledienst waarvan er ééntje met een verrekijker de weg afspeurde. Wellicht zochten ze een crimineel…?

Op de Sloveense A2 (geen seconde file gezien in 4 dagen snelweg) even een geinig fotootje trekken.

In Ljubljana blijkt de route naar het hotel tamelijk eenvoudig. Ik rij zonder navigatie maar met een stratenboek, en daar heb je in de stad niet veel aan. Daarom heb ik alvast gekeken op GoogleMaps hoe ik er moet komen. Gelukkig wordt het ook met bordjes aangegeven en zijn we er zo. Ik mag parkeren voor de deur dus dat is alvast gratis. Na het inchecken gaan we gelijk even de stad in. De thermometer geeft 30 graden aan… En gelijk maar een ijsje gekocht. Slovenië kent wat dat betreft duidelijke Italiaanse invloeden: ijs, pannenkoeken met Nutella en heftige architectuur!

Het uitzicht op het westen uit het hotelraam. De stad ligt aan onze voeten!

De draak is het symbool van de stad. Deze draak is met voorsprong de vetste die ik ooit in drie dimensies uitgevoerd zag. Er staan er 4 op de drakenbrug. Vlakbij deze brug is een sfeervol straatje met eettentjes en barretjes: Trubarjeva cesta.

Over de zogeheten “triple bridge” kijk je uit op de stadsburcht, Ljubljanski grad, dat op een flinke heuvel ligt in de bocht van de rivier de Ljubljanica. Langs de rivier zijn ontelbare drink- en eettentjes, wat het moeilijk maakt om er de beste uit te kunnen vinden. Ik wilde eigenlijk graag een Adam Ravbar-biertje proberen, maar heb het niet kunnen vinden. Het huisgebrouwen Domzale-bier van restaurant Sokos bleek ook niet voorradig, waarna ik maar ben opgestapt. Helaas.

De stad is behoorlijk groen. Ook hier heeft het iets Italiaans, al waren de meeste Italiaanse steden die ik bezocht behoorlijk opgedroogd als ik er was. Dat maakt Ljubljana alleen maar beter en leuker. Slovenen zijn rustige mensen, niet opdringerig of luidruchtig. En de vrouwen,… de vrouwen in Ljubljana zijn bijna allemaal 8-plussen. Het is ongelooflijk waar al dat lekkers vandaan komt.

Schitterende oude straatjes en doorsteekjes. Ook hier voel je Italië.

Later op de avond met een laag zonnetje doet Ljubljana niets onder voor welke Italiaanse stad dan ook.

De burcht, die gewoon open is voor het publiek. Op het binnenplein is horeca en je kunt zonder kosten de muren op. Alleen de uitzichttoren kost je €6,-.

Uitzicht vanaf de muur.

In de burcht.

De burchtkapel.

Ljubljana bij nacht: nog meer Italië.

Woensdag 27 juni: Bled en Bohinj

Onze ober raadt ons aan om Lake Bohinj te bezoeken in plaats van Lake Bled. Bohinj is rustiger en eigenlijk mooier, zegt hij. Dus onze eerste excursie gaat richting Bohinj. Het is een stukje noordwaarts, een ruime 80 kilometer rijden. Het is de reis zeker waard!

We beginnen het verste weg, bij Bohinj in het Triglav National Park. Helaas was er wat bewolking waardoor de zon zo nu en dan wegdook, maar het maakt er de locatie niet minder schitterend op.

Glashelder water. Je ziet de vissen zwemmen. Als een domme toerist ze niet wegjaagt met zijn lelijke voeten.

Dit beestje is niet bang uitgevallen! Hij lijkt even nieuwsgierig naar mij als ik naar hem.

We kanoën het meer over, naar een relaxt strandje. Helaas bestaan die wel uit scherpe steentjes, dus neem slippers mee!

Onderweg terug wil ik toch even een foto maken van het kasteel van Bled, gelegen aan het meer. Zulk soort bouwwerken tref je in deze contreien vaker aan. Wat me opvalt is dat er prima parkeergelegenheid is en geen vervelende zigeuners die je om geld komen vragen. Dat soort dingen verwacht je om een of andere reden. Alleen maar lof op Slovenië!

In de verte het eilandje in het meer waar veel romantische bruiloften worden voltrokken.

Langs het meer is het fijn wandelen. Het water is ook hier glashelder en ietwat turquoise van kleur. Zijn dat mineralen?

Donderdag 28 juni: Piran

De tweede tip van de ober was Piran. Ik zat te denken aan Trieste, Koper of Izola als badplaats, maar de ober wist iets beters. Piran ligt helemaal aan het uiteinde van de weg naar zee. Het voelt aan als een luxe buitenplaats voor de rijke Slovenen, een beetje a la Ligurië (alweer Italië), maar niets blijkt minder waar. Het is gewoon een rustig doch fantastisch stadje aan zee. De Adriatische zee is al even fantastisch: heerlijk gezwommen in kraakhelder water van uitstekende temperatuur. Deze foto’s komen van mijn broertjes telefoon, want mijn batterij bleek leeg… Balen!

Eerst maar eens een koud biertje! €2,50 voor een halve liter. En erg smaakvol! Zelfs de bediening is vriendelijk! Wat een perfectie.

Het Venetiaanse huis aan het Tartiniplein dat ooit een haven was. Piran behoorde eens tot het Venetiaanse rijk, dus ook hier is het Italiaanse gevoel helemaal op zijn plek.

Fantastische straatjes en doorsteekjes. Een beetje Venetië. Maar dan beter.

De oude vuurtoren, op de kop van de landtong. Op die rotsen kun je je spullen prima kwijt om vervolgens het water in te glijden en heerlijk af te koelen.

Terug naar Ljubljana staan we voor de keuze: Oostenrijk of Kroatië? Toch maar eventjes terug naar het hotel…

Vrijdag 29 juni: Ljubljana – Vonyarcvashegy (H), 281 km

Op vrijdag checken we uit in Ljubljana. We hebben veel gezien en gedaan en alle hoeken van het land gezien als we in het oosten de Hongaarse grens oversteken.

De wegen zijn, zoals gezegd, goed en mooi. Misschien liggen hier wel de beste wegen van Europa. De verkeersdruk is erg laag te noemen, zelfs in de stad.

Onderweg komen we een stadje tegen dat Lenart heet. Nu is dat bijna de naam van mijn broertje, dus we gaan even langs om een fotootje te maken.

Lenart ligt midden in de beschaving, zo blijkt.

In Lenart is het stinkend heet,… eigenlijk te heet om een auto met airco te verlaten.

Verder heb ik weinig foto’s gemaakt omdat ik dit stukje Hongarije tamelijk goed ken. Toch wil ik jullie deze smakelijk véreshurka niet onthouden. Een ware Hongaarse lekkernij!

We checken in bij het Eldorado Fogado, waar ze me 8000 forinten rekenen voor een tweepersoonskamer met badkamer, tv en ventilator. De meisjes zijn erg vriendelijk en lachen om mijn schattige pogingen ze in hun eigen taal te woord te staan. Het gaat wonderwel erg voorspoedig en ze snappen me! Ik snap hen niet altijd, maar als je zo nu en dan “jó” en “igen” (of voor gevorderen: “pontosan!”) zegt lijkt het heel wat.

We gaan nog even afkoelen in Balaton, maar bah, wat is dat een deceptie als je de Adriatic hebt gehad. Vies water, vieze bodem, stekebeesten… Eigenlijk maar een smerig meer, dat Balaton. Het strandje dat bij Eldorado hoort is niet al te best, dus ik stel voor naar een nabijgelegen strandje te gaan waarvan ik weet dat er een eetkar bijstaat. Die blijkt helaas weg, dus geen drinken te krijgen. Dan zwemmen we even en gaan er dan weer vandoor.

Eigenlijk is er maar 1 reden dat ik de omweg over Hongarije maak, en dat is de wijn van Balaton. Ik ken twee uitstekende wijnmakers en ik kan hier niet weggaan zonder er iets aangeschaft te hebben. Dus ik haal bij mijn vriend Gyözü van Effendy in Balatonederics een fles jégbor en een fles muskotály. Ze zijn niet goedkoop maar wel de beste uit de streek. Bij Szabó op een steenworp afstand haal ik nog 2 liter szürkebarát (zoet) en 2 liter olaszríszling (droog) en een flesje van zijn rosé jégbor. Jégbor is ijswijn, wijn gemaakt van druiven waar de vorst overheen is geweest. Dat gebeurt niet veel, dus het spul is duur. Maar het is ook echt heel lekker. Beter dan de Tokaji Aszú die voor duizenden forinten over de toonbank gaat.

Misschien is er nog een reden voor het bezoek aan Hongarije: Tesco. Tesco is zo’n supermarkt (of hypermarkt, zoals ze aangeven in Hongarije) waar je alles koopt. En omdat ik het adagium “’s lands wijs, ’s lands eer” een warm hart toedraag, haal ik hier ook nog even wat nats. Borsodi, Soproni en Cappy maak ik soldaat: het zijn bier en fris dat ik hier niet krijgen kan. Overigens ligt er al 2 liter Zlatorog Lasko in de kofferbak. Dat is het grote voordeel van autoreizen. Je kunt van alles meenemen.

Zaterdag 30 juni: Vonyarcvashegy – Český Krumlov (CZ), 427 km

We checken uit bij de meisjes van Eldorado en vertrekken richting Wenen. Voor de zoveelste keer rijden we de drukke verkeersstromen tegemoet, en dat is fijn. Bij Sümeg laden we nog wat liters vocht in: flesje bubbels voor de eigenaar van de auto en voor een vrouwelijke kennis. Later nog houden we halt bij een toeristententje waar tuinkabouters en rietenmandjes worden verkocht. Mijn broertje koopt er een slof sigaretten voor 7700 ft. om in Nederland met winst te verkopen.

Bij Sopron gaan we al aardig richting Oostenrijk. Veel Oostenrijkers komen de grens over om goedkope rommel te kopen. Eigenlijk is Hongarije een dor, droog land vol gaten in de wegen… Dat zie ik als ik het naast Slovenië hou. Jammer. Sopron is wel een mooie stad. Ik ben er eens geweest en heb me vergaapt aan de Romeinse ruïne. Die zijn overigens ook te vinden in Ljubljana. Sopron is ook de thuisbasis van het grote Hongaarse biermerk Soproni. Er staan er nu 2 in mijn koelkast.  

De skyline van Wenen uit de auto. De duiken de Donau over (wat we nóg 2 keer zouden gaan doen deze reis) en houden links aan richting CZ. Ik weet dat het niet de kortste route is om zo van Hongarije naar Tsjechië te rijden, maar ik ga niet twee keer hetzelfde stuk rijden. Niet bij daglicht toch, tenminste.

Het grensgebied van Oostenrijk en Tsjechië is zeer de moeite waard. Vriendelijke heuvels en schitterende wegen.

Bij Gmund gaan we de Tsjechische grens over. Het land voelt goed aan, beter dan Hongarije, dat als je erin rijdt de indruk wekt dat de zigeuners achter de bomen klaar staan om je horloge van je pols te trekken. Is dat racistisch? Sorry.

We rijden naar Český Krumlov voor twee dingen: Tesco (Tsjechisch bier!) en het stadsgezicht dat door UNESCO is opgenomen in de lijst met werelderfgoed.

Helaas waren er werkzaamheden aan de voetgangersbrug het stadje in, net onder de poorten naar Parking 1 door. Dat tast het aangezicht toch wel een beetje aan, maar al met al is het een fantastische plek. Ietwat toeristisch misschien, met het éne na het andere geweldige bouwwerk.

We eten wat bij een slecht restaurant (ze hebben niet eens Kofola! Gelukkig heb ik daar al 12 liter van in de kofferbak liggen) en zoeken naar verkoeling. Krumlov is heet, heel heet. De hele week is al heet, behalve de Sausteige, die was nat. Het slechte restaurant serveert uitsluitend Pilsner Urquell, wat niet vies is, maar van een Tsjechische bar mag je meer verwachten. Ook Urquell heb ik inmiddels ingeladen. Het is gewoon te goedkoop hier.

Na het eten en een klein ijsje stappen we in de auto en doorkruisen de schitterende streek Bohemen.

(Zet het geluid af!)

We passeren het éne na het andere prachtige landschap of stadje. Het is inmiddels ruim na 20h en we weten nog niet waar we slapen moeten. Hoewel ik eerder voorstelde in Krumlov te slapen vindt mijn broertje dat we door moeten. Uiteindelijk stelt hij Nürnberg voor. Dat is, als we de autobahn oprijden bij Deggendorf, nog 180 kilometer. Ik zeg: zie maar hoe ver je komt. Hij rijdt al een tijdje. Bij Nürnberg barst het onweer los. Veel regen en bliksem. Broer wordt moe en stelt voor te ruilen bij de volgende pomp. Dat doen we en ik neem me voor om door te rijden. Door, door en door. Het rijden ben ik wel gewend, maar we hebben er inmiddels al ruim 800 opzitten voor vandaag. Ik ben onzeker over mijn fitheid, maar als ik eenmaal goed zit en rij, ondanks de regen, weet ik dat we thuis gaan komen. Nürnberg gepasseerd, Würzburg, Frankfurt,… Daar staat Köln op de borden. Keulen, denk ik, dan is het niet ver meer. Maar hoe ver is Keulen? Na een tijdje rijden weet ik het: 302 kilometer. Mijn god. Nou ja, we zijn nu onderweg.

Om 04h00 rijden we Nederland in bij Venlo. Eerst broer in Tilburg brengen, dan naar huis. Even na 05h30 parkeer ik bij mijn flatje. Vandaag bijna 1400 kilometer afgelegd. Een record. De hele reis was heet en zweterig. Ik stap uit, draag een zwembroek en t-shirt en de kou bevangt me.

We zijn weer thuis. En ik slaap een gat in de dag.


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *